...maar ik had de liefde
niet...
Inleiding:
Het is een mens eigen dat hij bij tijd en wijle stil staat bij de
zin van het leven en bij de vraag waar wij ons allemaal in het leven
in vredesnaam zo druk om kunnen maken. Maar al te vaak gebeurt het
dat men zo terugkijkend op alles wat er in het verleden is
verdwenen, moet vaststellen dat het eigen belang nogal eens heeft
kunnen voorkomen dat de belangen van de medemens bij het verdelen
van de aandacht veel te weinig of helemaal geen aandacht hebben
gekregen met als gevolg dat al het anderen aangedane onrecht de mens
als een lange staart tot aan de hemelse rechterstoel blijft volgen.
Omdat zo'n staart niet is te verbergen zit het er dik in dat alles
wat men ooit heeft uitgespookt en wat desondanks nooit is beleden,
goed gemaakt of uitgepraat, tijdens het laatste oordeel
onherroepelijk aan het licht zal worden gebracht. Wat mij doet
geloven dat gedurende dat hele proces de kleur schaamrood de alles
overheersende kleur zal zijn.
Het doet me allemaal denken aan de titel van een boek die ooit eens,
tijdens het winkelen, in het voorbij lopen mijn aandacht trok: "Het
verleden is onontkoombaar." Wat de inhoud van het boek was is me
niet bekend en het kon mijn interesse ook niet wekken maar al verder
lopend liet ik de betekenis van die toch wel pakkende titel op me
inwerken. Wat me tenslotte tot de conclusie bracht dat Jezus niet
voor niets tegen Zijn discipelen zei in
Matth. 10:25,26:
"Het is genoeg voor de discipel te worden als zijn meester, en voor
de slaaf als zijn heer. Indien men aan de heer des huizes de naam
Beëlzebul heeft gegeven, hoeveel te meer aan zijn huisgenoten!
Vreest hen dan niet, want er is niets bedekt, of het zal
geopenbaard worden en verborgen, of het zal bekend worden!"
Aan het verleden is niet te
ontkomen en wat de mens in dat verleden heeft verricht zal daarom
zijn uiteindelijke bestemming bepalen. Het ligt voor de hand dat een
God van liefde Zich in alles wat Hij doet en denkt door die liefde
laat leiden en daarom zal de maatstaf die Hij hanteert de maatstaf
van de liefde zijn zodat de mens beoordeeld zal worden op de aan- of
afwezigheid van die liefde in zijn leven. Omdat de aanwezigheid van
die liefde in een mensenleven op zoveel manieren tot uitdrukking kan
komen is het ondoenlijk om daar een opsomming van te geven maar het
kan worden samengevat met de woorden van Paulus in Romeinen
13:8-10: "Zijt
niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben; want wie de ander
liefheeft, heeft de wet vervuld. Want de geboden: gij zult niet
echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult
niet begeren en welk ander gebod er ook zij, worden samengevat in
dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. De liefde doet
de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet."
Anders gezegd: alleen als een mens God's liefde in zijn leven kent
is hij/zij in staat te doen wat de noodwet van het Oude Testament
niet kon bewerken omdat dat een van buitenaf opgelegde wet was. Zo'n
wet kan nooit en te nimmer een vervanging zijn voor de liefde van
Goddelijk niveau die bewerkt dat de mens vanzelf en uit overtuiging
datgene doet wat aan God's maatstaven kan voldoen.
Omdat, zoals de apostel
Petrus aanhaalde, de wereld vol is van "die poel van
liederlijkheid," die in onze moderne tijd dagelijks over het
luisterend en kijkend publiek wordt uitgestort en waarin steevast de
"liefde" wordt bezongen en verheerlijkt, leek het me bepaald niet
verkeerd om eens te onderzoeken wat de bijbel over dit veelbesproken
onderwerp heeft te zeggen en waaruit we kunnen leren wat de
aanwezigheid maar ook de afwezigheid van die liefde in een
mensenleven tot gevolg kan hebben. Het resultaat van mijn
persoonlijke speurtocht heb ik op deze pagina samengevat.
Wat Paulus ons naliet.
Als ergens in de bijbel het evangelie van
Jezus Christus in een paar regels onder woorden is gebracht dan is
het wel in het hooglied van Paulus. Dat vinden we in
1 Cor. 13:1-13:
- Al ware het, dat ik met de tongen der
mensen en der engelen sprak, maar had de liefde niet, ik ware
schallend koper of een rinkelende cimbaal.
- Al ware het, dat ik profetische gaven
had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al
het geloof had, zodat ik bergen verzette, maar ik had de liefde
niet, ik ware niets.
- Al ware het, dat ik al wat ik heb tot
spijs uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam gaf om te
worden verbrand, maar had de liefde niet, het baatte mij niets.
- De liefde is lankmoedig, de liefde is
goedertieren, zij is niet afgunstig, de liefde praalt niet, zij is
niet opgeblazen,
- zij kwetst niemands gevoel,
zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet
verbitterd, zij rekent het kwade niet toe.
- Zij is niet blijde over ongerechtigheid,
maar zij is blijde met de waarheid.
- Alles bedekt zij, alles gelooft zij,
alles hoopt zij, alles verdraagt zij.
- De liefde vergaat nimmermeer; maar
profetieën, zij zullen afgedaan hebben; tongen, zij zullen
verstommen; kennis, zij zal afgedaan hebben.
- Want onvolkomen is ons kennen en
onvolkomen ons profeteren.
- Doch, als het volmaakte komt, zal het
onvolkomene afgedaan hebben.
- Toen ik een kind was, sprak ik als een
kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een
man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was.
- Want nu zien wij nog door een spiegel,
in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik
onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend
ben.
- Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde,
deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.
Wat Paulus hier belijdt komt er kort gezegd
op neer dat zonder de liefde niets kan bestaan, niets kan
functioneren en dat zonder de liefde alleen de dood nog overblijft.
Het is een conclusie die ik ook voor mezelf al in een grijs verleden
heb getrokken nadat ik het gedrag van de medemens en dat van mezelf
kritisch had geobserveerd. Wat me daarbij het meest en boven alles
duidelijk werd is dat, zoals Paulus al beleed, de liefde zichzelf
niet zoekt. Zoals het licht uitsluitend van de zon uitgaat zo
straalt het licht van de liefde altijd op anderen. Waar dit niet het
geval is en als gevolg daarvan het licht de verkeerde kant op
straalt (naar onszelf toe), daar is de zonde geboren. En zonde is er
altijd en zonder uitzondering, in meerdere of mindere mate, op
gericht om de eigen verlangens en belangen voorop te stellen met als
mogelijk gevolg dat het belang van de ander daarvoor moet wijken.
De zondeval.
Dit brengt ons meteen bij het begin van
alle ellende. Het drama van
Genesis 3
laat al zien waar de liefde het moest afleggen tegen het eigenbelang
van de mens. In
Genesis 3:6 vinden we: "En de
vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust
was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor
verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht en at, en zij
gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at." De mens begeerde
verstandig te worden en dat op een manier die hen overduidelijk
verboden was. De begeerte van de mens was op zichzelf gericht
waardoor de begeerte om als God te kunnen zijn werd opgewekt. De
kiem van de hoogmoed was gelegd. Hoogmoed is altijd op zichzelf
gericht en zoekt daarom zonder uitzondering aanzien, eer en aandacht
om daardoor in het middelpunt van de belangstelling te kunnen staan.
Dat is een enorm contrast met wat Jezus zei van Zichzelf in
Joh. 5: 41,42:
"Eer van mensen behoef Ik niet, maar Ik ken u: gij hebt de
liefde Gods niet in uzelf." In deze uitspraak geeft Jezus al meteen
aan wat de grote tegenstelling is tussen de liefde en de
liefdeloosheid. Terwijl Jezus zelf het toonbeeld was van de liefde
die zichzelf niet zoekt, en Hij dus ook niet geïnteresseerd was in
de eer van mensen, waren Zijn vijanden bezeten van het streven om
bij mensen in aanzien te zijn doordat de liefde van God in hun leven
niet aanwezig was maar in plaats daarvan de ik-gerichte liefde hun
doen en laten beheerste.
Dit drama van de zondeval herhaalt zich sinds het eerste mensenpaar
ontelbare keren. De liefde die in het eerste mensenpaar aanwezig was
en die als de zon zijn licht uitstraalt werd 180 graden omgedraaid
met als gevolg dat de mens zelf ineens in de schijnwerpers kwam te
staan en als mensen in de schijnwerpers staan, staat men daar
meestal omdat men er bepaald niet vies van is. Het als God kunnen
worden, wat op zo'n gemakkelijke manier binnen het bereik van de
mens leek te komen, is voor de mens die zichzelf zoekt een
verleiding waaraan geen weerstand meer geboden kan worden. Door te
zondigen is de mens op zichzelf gericht, zoekt eigen voordeel, de
weg van de minste weerstand en het gevolg is dat de medemens buiten
beeld staat. Behalve in die gevallen als die medemens gebruikt
(misbruikt!) kan worden voor het dienen van het eigen belang.
We kunnen, samengevat, hieruit leren dat:
- Zonde ontstaat als de liefde op de mens
zelf is gericht.
- De begeerte van de mens daardoor op
zichzelf gericht wordt en het eigen voordeel voorop komt te staan.
- De belangen van de medemens worden
genegeerd.
- De hoogmoed en de eerzucht in deze
situatie vrij spel hebben.
- De weg van de minste weerstand de meest
voor de hand liggende route is om het eigenbelang te kunnen
dienen.
Wat betreft het laatst genoemde punt heb ik
in de loop der jaren vast moeten stellen dat waar "broeders en
zusters" zich in de hierboven geschetste situatie bevinden de
zoektocht naar de weg van de minste weerstand extreme vormen aan kan
nemen waardoor men zich inspant om toch vooral niet de gevolgen
onder ogen te hoeven zien van hun "keuze" voor Jezus. Zodat, om het
in bijbelse termen uit te drukken, het lijden om Christus'
wil met de meest fantastische vrome smoezen wordt
weggeredeneerd of wordt ontdoken. Wat me vervolgens is bijgebleven
is de nogal eens gehoorde definitie van de zonde die werd verwoord
in de spreuk: "zonde is je doel missen." Hoewel hier wel wordt
vastgesteld dat de zonde ons ergens van weerhoudt komt er niet in
naar voren wat daar dan werkelijk de oorzaak van is. Het is een zaak
van oorzaak en gevolg. Wat in deze dooddoener wordt beklemtoond is
het gevolg van de zonde maar de oorzaak,
de wortel daarvan komt niet aan de orde. Deze wortel van de zonde
is, zo heb ik met het bovenstaande willen aantonen,
liefdeloosheid in wat voor vorm dan ook.
Alles went...
Deze liefdeloosheid heeft het leven van de
mens op ontstellend veel manieren in beslag genomen. Het complete
doen en laten van de mens wordt erdoor beïnvloed en dan ook nog eens
op zo'n gruwelijke wijze dat het onvermijdelijke gewenningsproces de
ogen heeft verblind voor de ernst van de situatie. In
Jac. 4:8 en 9
wordt daar door Jacobus bepaald niet geheimzinnig over gedaan:
"Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinigt uw handen,
zondaars, en zuivert uw harten, gij, die innerlijk
verdeeld zijt. Beseft uw ellende, treurt en weent;
uw gelach moet veranderen in treurigheid, en uw vreugde in
neerslachtigheid." Wat Paulus schrijft in
2 Corinthiërs 7:9 en 10
sluit hier opvallend goed op aan: "Thans verblijdt het mij, niet,
dat gij bedroefd zijt geworden, maar dat de droefheid u tot
inkeer heeft gebracht; want gij zijt bedroefd geworden
naar Gods wil, zodat gij generlei nadeel van ons
hebt geleden. Want de droefheid naar Gods wil brengt
onberouwelijke inkeer tot heil, maar de droefheid der
wereld brengt de dood."
Het doet me denken aan de jonge jaren van iemand die ik observeerde
toen ze als twee- of driejarig kind in paniek raakte als ze op TV
een tekenfilm zag waarin er weer eens stevig op los geknokt werd. We
kennen allemaal wel die (tekenfilm)beelden van wilde achtervolgingen
waarbij de hoofdrolspelers elkaar diverse keren bont en blauw slaan,
of nog erger, en vervolgens weer schijnbaar ongeschonden hun weg
vervolgen. Bij het zien van dit soort beelden zal een volwassene,
die ondertussen al zo is afgestompt voor dit soort gewelddadig
gedrag, geen spier vertrekken maar het kind in kwestie wist van
nature dat dit alles behalve normaal is en liet dat ook merken. Het
was voor mij in ieder geval een openbaring waardoor ik er meer dan
ooit bij werd bepaald hoe ontstellend ver de mens tijdens het
opgroeien, en door de gewenning aan alles wat er op een mens afkomt
in het leven, is afgedwaald van wat God van nature in de mens heeft
gelegd. Zodat men uiteindelijk zonder blikken of blozen en zonder
gewetenswroeging kan zitten kijken naar de meest gewelddadige zaken.
Zonder te beseffen dat het de duivel al lang is gelukt om de zonde
als koning te laten heersen in het dagelijkse leven. Dit
afstompingsproces maakt de scheiding tussen God en mens voortdurend
groter en laat de duisternis in een mensenhart toenemen. En waar de
duisternis toeneemt krijgt de (geestelijke) dood vrij spel. Het
gewenningsproces aan alles wat in deze wereld als "normaal" wordt
gezien laat in een mensenhart de onverschilligheid groeien. En wat
dat uiteindelijk tot gevolg heeft liet Jezus ons in
Matthéüs 24:12
weten: "En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde
van de meesten verkillen."
Als de mens werkelijk God wil zoeken zal
dit afstervingsproces moeten worden gestopt. In
Psalm 119:37
wordt dit zo treffend beschreven: "Wend mijn ogen af, zodat zij geen
ijdele dingen zien, maak mij (weer) levend door uw wegen." Wie zijn
ogen afwendt scheid zich af van datgene wat satan via alle middelen
die hem ter beschikking staan op ons af laat komen. Het zichzelf
afscheiden wordt in de bijbel heiliging genoemd zoals we terug
vinden in Hebreeën 12:14: "Jaagt naar vrede
met allen en naar de heiliging, zonder welke
niemand de Here zal zien." De keuze is aan ons: wat willen wij zien?
De dagelijkse praktijk.
Uit het voorgaande is wel naar voren
gekomen dat door de gewenning aan alles wat niet overeen komt met
God's principes, de liefde verkilt. Wat dat tot gevolg heeft in het
dagelijkse leven is zo veel omvattend dat, om niet in een eindeloze
opsomming te verzanden, er slechts een kleine greep gedaan kan
worden uit de hoeveelheid gedragingen die in een mensenleven het
stempel kunnen drukken op de gang van alledag. Ik wil me daarom
beperken tot mijn uit eigen observering en ervaring opgedane kennis
van het een en ander. Wat daaruit het eerst naar voren komt is de
constatering dat, zoals een bekende spreuk zegt: "het de kleine
dingen zijn die het doen," maar dat het tevens ook die kleine dingen
zijn die het kunnen verpesten. En grondig kunnen verpesten. Het zijn
maar al te vaak die schijnbaar kleine zaken die het
eerst aan de aandacht ontsnappen en wegslijten zodat tenslotte aan
de "gewone" dingen in het dagelijkse leven nauwelijks of helemaal
geen aandacht meer wordt besteed.
Maar wat is klein? Het werd mij al in een
vroeg stadium in het leven duidelijk dat er bij God geen kleine
dingen bestaan als het er op aan komt om de heiliging na te jagen.
Het zijn juist die zaken die zo makkelijk aan de aandacht kunnen
ontsnappen, als gevolg van het voortdurende afstompingsproces van
het menselijke geweten, die bij Hem extra zwaar tellen: die zo
gewone en onbenullig lijkende handelingen. Zo kan het gebeuren dat
meneer de "voorganger" of "dominee" vanaf de kansel de meest
fantastische preken kan afsteken maar tegelijkertijd nog niet eens
in staat is om (we blijven praktijkgericht) een WC netjes achter te
laten. Terwijl moeder de vrouw meer dan eens duidelijk laat blijken
dat ze met deze (stoel)gang van zaken niet gelukkig is. Het heeft
mij meer dan eens doen denken aan Jezus' woorden in
Lucas 16:10:
"Wie in zeer weinig getrouw is, is ook in veel getrouw. En wie in
zeer weinig onrechtvaardig is, is ook in veel onrechtvaardig."
Wat Jezus hiermee bedoelde te zeggen is dat de gehoorzaamheid en de
trouw aan het evangelie van Jezus vooral blijken uit die kleine
dingen die voor het oog van de wereld niet meetellen en waar geen
eer aan te behalen is maar waarvan de bijbel zegt in
Matthéüs 6:6:
"...en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden."
Wie heeft bewezen in die kleine dingen niet rechtvaardig te kunnen
zijn heeft laten zien dat hij ook het grote werk niet waard is!
Daar weegt geen enkele vrome preek tegen op
en we hoeven er dan ook beslist niet op te rekenen
dat de viezerik die een zoals hierboven beschreven gewoonte niet af
wilde leren, zonder meer door mag lopen als hij met een stapel
preken onder de arm aan de hemelpoort verschijnt (ik laat mijn
fantasie even de vrije loop) om daarmee toch vooral aan te kunnen
tonen dat hij zich in het leven "uit de naad" heeft gewerkt om het
vrome volk op het "rechte" spoor te kunnen houden. Terwijl
gelijktijdig dat "rechte" spoor in het eigen leven op het toilet zo
vele malen een enorme koersafwijking(!!) heeft laten zien. Men mag
dan in de gunstige situatie verkeren dat deze en dergelijke zaken
voor gemeente en buitenwereld wel verborgen gehouden kunnen worden,
dankzij de jarenlange schoonmaakwerkzaamheden van moeder de vrouw,
maar voor de ogen van de hemelse rechter is het niet verborgen. Want
ook daar laat de bijbel zijn licht over schijnen in
Hebreeën 4:13:
"...en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen
liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij
rekenschap hebben af te leggen."
We moeten er dus maar rekening mee houden dat ook een, op de zojuist
beschreven wijze, vervuild toilet niet aan de aandacht van de
hemelse rechter zal ontsnappen. En dat tevens de nooit serieus
genomen klachten van moeder de vrouw alsnog onder de neus zullen
worden gehouden van de smeerpoets die zijn leven niet heeft willen
beteren. Gerechtigheid!
De onrechtvaardige Mammon.
Nog zo'n onbeminnelijke eigenschap van de
(liefdeloze) menselijke natuur begint ook veel christenen parten te
spelen zodra er geld gaat rollen. Zolang dat geld maar in de eigen
richting rolt is men nog wel voor enige rede vatbaar maar zodra er
financiële offers gevraagd worden en de rolrichting van dat geld als
gevolg daarvan een niet meer zo gunstige invloed heeft op het eigen
banksaldo wordt maar al te snel de noodrem aangetrokken. En gaan er
opeens héél andere principes de boventoon voeren. Ik heb ooit een
theologische beschouwing aangehoord over het wel of niet geven van
tienden, wat in het Oude Testament een onderdeel was van de geboden
die het volk Israël kreeg opgelegd. Alhoewel er van ons nu niet meer
wordt verwacht dat wij al de geboden van die tijdelijke (nood)wet
naleven is het beslist geen verkeerde gewoonte om regelmatig
een deel van onze inkomsten af te staan voor het werk in het
Koninkrijk Gods of voor het lenigen van de noden van hen die
toevallig niet in het welvarende Nederland ter wereld kwamen. Daar
zal de gever niet van smelten ook al zal hij of zij zo nu en dan wel
eens bepaalde aankopen uit moeten stellen omdat de giften toch
voorgaan. Het (vrijwillig!) geven van giften blijft een daad van
barmhartigheid die in de hemel wordt opgetekend. Het achterwege
blijven daarvan kan daarentegen nare gevolgen hebben voor de
knijpstuiver die toch van zijn geld geen afstand kan doen. Of zoals
de apostel Johannes dit onder woorden brengt in
1 Johannes 3:17:
"Wie nu in de wereld een bestaan heeft en zijn broeder gebrek ziet
lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit, (en dus ook de knip
dicht houdt) hoe blijft de liefde Gods in hem???"
Vandaar het advies van Jezus in
Lucas 16:9:
"En Ik zeg u: Maakt u vrienden met behulp van de onrechtvaardige
Mammon, opdat, wanneer deze u ontvalt, men u opneme in de eeuwige
tenten."
De uitkomst van de genoemde theologische
beschouwing kwam er echter op neer dat de "tienden" in het Oude
Testament niets van doen hebben met het tiende deel van al onze
inkomsten en dat er daarom van ons niet wordt verwacht dat wij in
die hoeveelheden onze geldelijke bezittingen afstaan. Wat mij het
onbehaaglijke gevoel en het grijze vermoeden gaf dat de
knijpstuivers die deze oplossing hadden opgehoest met deze uitkomst
wel konden leven. Ook al zal deze uitleg beslist wel "theologisch
verantwoord" zijn, de strekking van het verhaal ademde vooral de
geest uit: "Blijf met je jatten van mijn geld af want ik zit er nog
veel te veel aan vast!" Zoiets roept bij mij weer de beelden op van
de wekelijkse collecte in de samenkomsten tijdens welke ik bepaalde
personen met een zuur gezicht in hun kleingeld zag roeren om toch
vooral die guldens en rijksdaalders maar over het hoofd te zien. Ja,
we blijven op de kleintjes letten!
Jezus heeft ons ook over dit onderwerp een aantal uitspraken
nagelaten zoals in
Lucas 16:11-14: "Indien gij dus
niet getrouw geweest zijt ten aanzien van de onrechtvaardige Mammon,
wie zal u dan het ware goed toevertrouwen? En indien gij niet
getrouw geweest zijt ten aanzien van het goed van een ander, wie zal
u het onze geven? Geen slaaf kan twee heren dienen, want hij zal of
de ene haten en de andere liefhebben, of zich aan de ene hechten en
de andere minachten; gij kunt niet God dienen en Mammon.
Dit alles hoorden de Farizeeën, die geldzuchtig waren, en zij
hoonden Hem." Van uitspraken als deze werden die geldzuchtige
Farizeeën dus duidelijk bloednerveus en kijk ik weer even terug op
de zojuist aangehaalde en "theologisch correcte" conclusie dan weet
ik wel zeker dat deze nerveuze Farizeeën nog steeds onder ons zijn.
De Farizeeën in Jezus' dagen kregen er ook in
Lucas 11:42
van langs waar hen hun plichtmatige naleving van het geven van
tienden werd verweten: "Maar wee u, Farizeeën, want gij geeft
tienden van de munt en de ruit en van alle kruiden, en gij gaat
voorbij aan het oordeel en de liefde Gods. Dit
moest men doen en het andere niet nalaten." Dus ook op die wijze kan
men in de fout gaan: door het plichtmatig nakomen van die ene wet
terwijl het werkelijke doel van de hele wet (een rechtvaardige
wandel) wordt genegeerd. Daarvan was ook al sprake in de tijd van
Jesaja zodat hem werd meegedeeld in
Jesaja 29:13:
"Omdat dit volk Mij slechts met woorden nadert en met zijn lippen
eert, terwijl het zijn hart verre van Mij houdt, en hun ontzag voor
Mij een aangeleerd gebod van mensen is."
Is het geven van giften nog een zaak die
uit vrije wil gedaan wordt, als het aankomt op betalen van al
gekochte goederen blijkt maar al te vaak dat ook in die gevallen de
geldbuidel slechts met veel moeite is open te breken. Ik heb
zodoende van nabij meegemaakt dat ook mensen in evangelische kringen
met Jezus' woorden uit
Lucas 16:10-14
grote moeite hadden waardoor zelfs betalingen van slechts enkele
guldens(!) irritant lang op zich lieten wachten. Wat een
schijnheiligheid!
...en zij niets bemerkten, eer de
zondvloed kwam...
Als we onze blik richten op datgene waar de
grote meerderheid in deze wereld vol van is en op alles wat er als
gevolg daarvan door de massamedia over het grote publiek wordt
uitgestort is één van de meest opvallende zaken die daar bovenuit
springen: de allesoverheersende indruk dat de "liefde" bijna
onlosmakelijk en uitsluitend is verbonden met de zoektocht naar een
levenspartner. Over al dit soort zaken zei Jezus eens in
Matthéüs 6:32:
"Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit.
Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft." Alles wat
het natuurlijke leven aangaat is niet onbelangrijk maar er zijn veel
belangrijker zaken waar een echte discipel van Jezus zich in de
eerste plaats druk om hoort te maken zoals ons ook in
Colossenzen 3:1
wordt aangeraden: "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt
de dingen, die boven zijn, waar Christus is,
gezeten aan de rechterhand Gods." Als Jezus spreekt over de heidenen
doelt Hij zonder twijfel op al die mensen die geen omgang met God
kennen, die geen deel hebben aan het Koninkrijk Gods, geen
belangstelling hebben voor de dingen van het Koninkrijk Gods en
zodoende ook de liefde van God niet in hun leven
kennen. Wat in plaats daarvan in hun leven voor "liefde" moet
doorgaan is doorgaans niet veel meer dan een opgepoetste
schijnvertoning die voor de buitenwereld geloofwaardig moet lijken.
Maar de profeet Jesaja moest al vaststellen in
Jesaja 57:21:
"De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede."
En wie geen vrede heeft, heeft geen vrede met God en wie geen vrede
met God heeft, heeft geen liefde in zichzelf. Dat kregen de
tegenstanders van Jezus te horen toen Hij hen verweet in
Joh. 5:41,42:
"Eer van mensen behoef Ik niet, maar Ik ken u: gij hebt de liefde
Gods niet in uzelf."
Kijken we naar de praktijk dan wordt Jezus'
uitspraak in Matthéüs
6:32 vele malen bevestigd. En
daarbij doel ik o.a. op het feit dat de zojuist al genoemde
zoektocht naar een levenspartner bij zoveel mensen aanvankelijk hun
complete denken en begeerten beheerst maar dat zodra deze zoektocht
succes heeft gehad de dagelijkse sleur al vrij snel de aandacht weer
afleidt waardoor andere aardse zaken de gemoederen bezig gaan
houden. Met niet zelden als gevolg dat de beide echtelieden steeds
verder van elkaar verwijderd raken en er uiteindelijk vastgesteld
moet worden dat hij of zij ondertussen al weer door heel andere
zaken in beslag wordt genomen.
Nog zo'n treffend voorbeeld dat ik ooit eens las was de klacht van
een vrouw die bekende: "mijn man kon in onze verkeringstijd uren met
me wandelen maar nu neemt hij nog niet eens de moeite om de
vuilnisbak voor me buiten te zetten." Hoe deze apenliefde toch kan
verslijten... Als ik zo rondkijkend al dit soort tragedies observeer
moet ik onwillekeurig weer denken aan wat Jezus zei in
Matth. 24:38,39:
"Want zoals zij in die dagen voor de zondvloed waren, etende en
drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op
de dag, waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de
zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de
komst van de Zoon des mensen zijn." Er staat ons weer een nieuwe
zondvloed te wachten, geen zondvloed zoals in de dagen van Noach
maar een zondvloed van legioenen demonen die door toedoen van de
hedendaagse occultisten uit het dodenrijk worden opgeroepen en die
de wereld zullen overspoelen met hun vernietigende haat en
wetteloosheid. Allen die zich in die tijd uitsluitend bezig houden
met het "huwen en ten huwelijk geven" zoals dat ook in Noach's tijd
het geval was zullen door deze zond(e)vloed verzwolgen worden met
datgene als onvermijdelijk gevolg wat Jezus voorspelde in
Matthéüs 24:12: "En omdat de wetsverachting
toeneemt, zal de 'liefde' van de meesten verkillen."
Dat de wetsverachting in onze tijd zienderogen toeneemt is voor een
ieder in ons kleine Nederlandje dagelijks beter zichtbaar.
Harry Potter en de rest.
Lettend op de wijdverbreide hedendaagse en
nog steeds groeiende belangstelling van de grote massa voor alles
wat met toverij en het bovennatuurlijke van doen heeft valt niet te
ontkennen dat de occulte breinen achter deze ontwikkeling druk
doende zijn om de mensheid rijp te maken voor deze occulte
zond(e)vloed. Met als voorbeelden van hun voorbereidingen de enorme
Harry Potter gekte die vooral de jeugd in zijn greep heeft gekregen
en de verfilming van de boeken van J.R.R. Tolkien uit de serie "The
lord of the rings." Het mag er voor een oppervlakkige toeschouwer
nog zo speels of spectaculair uitzien maar het duivelse van deze
ontwikkelingen is echter dat met name de ontvankelijke jeugd een
gewenningsproces ondergaat met als resultaat dat
iedere volgende fase in dit verleugeningsproces met steeds meer
enthousiasme wordt aanvaard. Waardoor tovenarij en al het
bovennatuurlijke meer en meer als normale zaken worden gezien. En
ook deze ontwikkelingen zullen uiteindelijk bewerken dat het rijk
van satan via deze insluip routes het doen en denken van al deze
slachtoffers zo in zijn greep zal krijgen dat ook hiervan het
resultaat zal zijn wat we al
Matthéüs 24:12
lazen: "En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de
meesten verkillen."
In het voorgaande zijn slechts een paar
voorbeelden uit de praktijk geplukt die, het moet gezegd worden,
toch een aardig goed beeld geven van het schizofrene gedrag wat ook
nogal wat "christenen" kunnen vertonen. Christenen die hun
naamchristendom op de zondagen nog wel in ere houden maar zich in de
praktijk van het dagelijkse leven hoofdzakelijk door andere belangen
laten leiden. De zonde die menigeen zo licht in de weg staat begint
pas goed een enorme hindernis te worden als de mens zich bovendien
nog verbeeldt dat er niets aan de hand is. De ongelofelijke
arrogantie die uit zo'n houding ontstaat kan zulke gruwelijke
afmetingen aannemen dat de personen die met deze gezindheid hun
dagen slijten voor hun omgeving tot een vloek zijn geworden. En ook
daarover vinden we in de bijbel aanwijzingen die we niet over het
hoofd mogen zien. Waaronder de oproep:
Verzoen u met uw broeder!
Nu die hemelpoort hierboven toch aan de
orde is geweest wil ik daarover nog een paar gedachten kwijt. Ik heb
me nooit voor kunnen stellen dat mensen die in het leven door
liefdeloosheid maar al te vaak bij anderen schade hebben
veroorzaakt, en dat onrecht vervolgens nooit hebben willen
rechtzetten, al fluitend het hiernamaals binnen kunnen wandelen
alsof er niets gebeurd is. Het mag dan zo zijn dan bij het laatste
oordeel geen enkele onbeleden misser aan de aandacht van de hemelse
rechter zal ontsnappen, maar in het stadium tussen sterven en
oordeel zou ik persoonlijk dit soort lieden, die dus nog het een en
ander op hun geweten hebben aan onbeleden zonden, niet graag
tegenkomen zodra ik zelf geschiedenis ben geworden. Wat Jezus in
Matthéüs 5:23,24
zegt wordt in de praktijk vele malen genegeerd. Hij zegt ons daar:
"Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert,
dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar,
voor het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw
broeder en kom en offer daarna uw gave." Jezus maakte hiermee
overduidelijk dat wanneer wij anderen iets hebben aangedaan, op wat
voor wijze dan ook, Hij absoluut niet verlegen zit om al onze vrome
gebeden maar pas bereid is om het aan te horen zodra wij onze
liefdeloze, onnadenkende, onrechtvaardige en huichelachtige daden
hebben beleden en rechtgezet. Wat heb ik in de loop der jaren meer
dan eens zien gebeuren dat deze eis van Jezus door nogal wat
personen met voeten werd getreden. De levensloop van dit soort
jakhalzen overziende heb ik daarom nogal eens vast moeten stellen
dat ze met hun ongehoorzaamheid aan Jezus' oproep een vloek over
zichzelf hebben gehaald met alle gevolgen van dien. Paulus schrijft
met het oog op deze en dergelijke praktijken in
Efeze 4:27:
"en geeft de duivel geen voet." Wie dat vanwege onbeleden zonden wel
doet haalt een oordeel en een vloek over zich heen.
Als de bijbel ons dus op het hart drukt om
hier en nu(!) elkaar de zonden te belijden en recht zetten wat er
fout is gelopen is het zeer onwaarschijnlijk dat we elkaar daar
boven zonder blikken of blozen onder ogen kunnen komen terwijl er
nog heel wat niet opgeruimde zaken zijn blijven liggen. Dat er
inderdaad wel eens ingegrepen zou kunnen worden in het geval dat de
zojuist genoemde personen aan de hemelpoort verschijnen bleek me uit
een boek, geschreven door een Amerikaanse arts die in de loop van
verscheidene jaren in zijn werk te maken kreeg met patiënten die
tijdens een operatie, als gevolg van een ongeval of als gevolg van
een ziekte klinisch dood waren geweest. Waarbij het nogal eens
voorkwam dat de patiënt na de geslaagde reanimatiepogingen achteraf
precies kon vertellen wat de artsen hadden ondernomen om het
stilgevallen hart weer op gang te krijgen. Wat deze mensen daarnaast
vertelden over hun belevenissen tijdens die bijna- of geheel dood
ervaring kwam opvallend vaak overeen. De bekende tunnel met het
felle licht aan het eind daarvan is één van dit soort overeenkomsten
die meer dan eens terugkeerde in deze verhalen. In het bijzonder wat
één vrouw had meegemaakt maakte op mij veel indruk. Ze kwam tijdens
haar reis langs een plaats waar mensen in een kerker opgesloten
zaten. Zoals te verwachten maakten deze zielen geen gelukkige
indruk. Het werd haar in het voorbijgaan duidelijk dat deze zielen
daar bleven zitten totdat ze het probleem hadden opgelost waarom ze
daar terecht waren gekomen.
Ze waren dus kort gezegd: te goed voor de hel maar te smerig voor de
hemel. Er lagen nog onbeleden zonden op hen te wachten en daarmee
moesten ze eerst maar eens in het reine zien te komen.
We hoeven er beslist niet op te rekenen dat
al die onbeleden zonden, ook die waarbij de medemens onrecht is
aangedaan, plotseling in het niets verdwijnen zodra ons hart zijn
laatste slag heeft geslagen. Het is een rechtvaardige eis van God's
liefde dat alles wat de medemens schade heeft berokkend wordt
opgeruimd en goed gemaakt. Zoals in het voorgaande al naar voren is
gekomen is het ondenkbaar dat als wij hier en nu al bepaalde mensen
liever ontwijken als gevolg van niet goed gemaakt onrecht dat zij
ons hebben aangedaan, wij daar boven al helemaal geen vrede zullen
kunnen hebben met dit soort huichelachtigheid. Het is alsof men op
een feest is uitgenodigd en onder de gasten bevindt zich uitgerekend
die etter die nog het een en ander op zijn kerfstok heeft staan. Dan
is zo'n feest meteen al grondig bedorven.
Er is bij de rechtvaardige God niets vergeven en vergeten zolang de
mens daar niet de aanzet toe heeft willen geven en gehoor heeft
willen geven aan wat Jezus ons in Zijn evangelie heeft geleerd.
Het is tenslotte zo dat alle liefdeloosheid die de medemens op de
een of andere wijze schade heeft berokkend op het hoofd van de dader
zal terug keren in het geval er tijdens het aardse leven geen berouw
heeft plaatsgevonden. Daar kan men lang of daar kan men kort over
filosoferen, de conclusie is in dat geval: het verleden is
onontkoombaar!
In de praktijk blijkt het echter meer dan
eens dat het al niet meer mogelijk is om het gedane onrecht
tegenover de betreffende persoon te belijden als deze intussen het
aardse kleed al heeft achter gelaten. De apostel Paulus was in het
nieuwe Testament wel het meest sprekende voorbeeld van de
berouwvolle zondaar die zijn misdaden niet meer recht kon zetten.
Als fanatieke Farizeeër had hij de gemeente vervolgd en na zijn
bekering waren er zeer waarschijnlijk al meerderen van zijn
slachtoffers niet meer in leven. Desondanks was Paulus zich zo zeer
bewust van zijn misdaden dat hij beleed in
1 Cor 15:9 en 10:
"Want ik ben de geringste der apostelen, niet waard
een apostel te heten, omdat ik de gemeente Gods vervolgd heb.
Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben, en zijn genade aan mij
is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen,
doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is." Het zat met
Paulus' berouw wel goed en ik geloof dat hij het daarboven daarom
met zijn voormalige slachtoffers snel in orde heeft gemaakt.
De hierboven beschreven zielen die in hun kerkers zaten te zuchten
moesten van deze noodzaak dus kennelijk nog overtuigd worden.
...dat gij de naam hebt dat gij leeft,
maar gij zijt dood.
Ik heb in de loop der jaren talloze malen
moeten vaststellen dat, zodra mensen er bij bepaald worden dat er
nog zaken in hun leven aanwezig zijn die het daglicht niet kunnen
verdragen er bij het leven wordt gehuicheld om toch vooral niet door
de mand te vallen en de schijn op te kunnen houden dat er niets loos
is. De apostel Johannes moest in de eerste hoofdstukken van het boek
Openbaring de nodige scherpe waarschuwingen opschrijven waaronder
die in Openbaring
3:1,2: "En schrijf aan de engel
der gemeente te Sardes: Dit zegt Hij, die de zeven Geesten Gods en
de zeven sterren heeft: Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat
gij leeft, maar gij zijt dood. Wees wakker en
versterk het overige, dat dreigde te sterven, want Ik heb geen van
uw werken vol bevonden voor mijn God." Dit is toch werkelijk een
conclusie die er niet om liegt. Stellen wij ons eens voor dat we op
een stel kerkgangers zouden afstappen met de mededeling: "Ik weet uw
werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, maar gij zijt
dood." Het is niet ondenkbaar dat we als resultaat een paar
behoorlijk gekrenkte ego's achter zouden laten die deze mededeling
niet met dankzegging in ontvangst wilden nemen. Deze scherpe
waarschuwing van Jezus is echter bepaald niet uit de lucht gegrepen
en we doen er dan ook goed aan om in eigen leven eens te onderzoeken
of deze waarschuwing ook op onszelf van toepassing zou kunnen zijn.
Ik heb ooit eens, ergens in de jaren zeventig (van de vorige eeuw),
een korte overdenking geschreven over de weinig begrepen Simson, de
sterkste man ter wereld, vaak geïmiteerd, zelfs verfilmd (het was te
verwachten), maar nooit geëvenaard. Helaas heb ik deze korte studie
niet meer in mijn bezit maar de strekking van het verhaal is me
altijd bijgebleven. Die kwam er op neer dat Simson er in zijn leven
nog wel eens een potje van maakte maar dat hij desondanks telkens
weer beschikte over een bovennatuurlijke kracht zodra hij deze nodig
had. Het ging pas mis toen hij zijn geheim had prijsgegeven aan de
vrouw die hem met veel zeuren en klagen zover had kunnen krijgen dat
hij uiteindelijk maar bekende waaraan hij zijn enorme kracht had te
danken. Het was hem van Godswege verboden om dit geheim prijs te
geven en het resultaat van zijn overtreding is bekend
(Richteren 16).
De les die hier in schuilt en die destijds ook mijn eindconclusie
was, is dat ditzelfde drama ook nu in het leven van vele kinderen
Gods plaats vindt.
Het is die verborgen omgang met de Heilige Geest die het geheim is
van onze kracht en waardoor wij alle stormen kunnen overleven die
over het leven van een rechtvaardige kunnen razen. Raakt die omgang
om wat voor reden ook verstoord en trekt de Heilige Geest Zich als
gevolg daarvan bedroefd terug dan beginnen de problemen pas goed en
bevinden we onszelf tegenover een enorme overmacht van tegenstanders
die bij ons vervolgens de (geestelijke) ogen uitsteken. En zodra dat
is gebeurd zijn wij voor de waarheid blind geworden. In die toestand
heeft de tegenstander vrij spel zodat hij ons de meest onzinnige
leugens kan aansmeren waar wij in die situatie geen weerstand meer
aan kunnen bieden. Met als mogelijk gevolg dat onze omgang met de
Heilige Geest zo verwaarloosd wordt dat uiteindelijk van ons gezegd
kan worden: "Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft,
maar gij zijt dood." In deze toestand verkeren veel
christenen terwijl ze uiterlijk helemaal die indruk niet wekken
doordat al hun "activiteiten voor de Heer" de schijn ophouden dat
het allemaal wel goed zit. Zo kan men de naam hebben dat men leeft
terwijl de werkelijkheid zo anders is en dat allemaal omdat de
relatie met de Heilige Geest is verstoord. Waar dit is gebeurd zal
de liefde in het leven van een kind van God in ieder geval
gedeeltelijk verkillen en waar dat het geval is neemt ogenblikkelijk
de duisternis toe. De duisternis van de geestelijke dood.
Maar ik heb tegen u...
Nog zo'n scherpe waarschuwing moest de
apostel Johannes neerschrijven in
Openbaring 2:4,5:
"Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verzaakt hebt. Gedenk
dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u
en doe weder uw eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik tot u en Ik
zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, indien gij u niet
bekeert." Er is hier zelfs sprake van bekeren
terwijl deze waarschuwing zeker niet was bedoeld voor een stel
heidenen maar voor de leden van de gemeente te Efeze. Terwijl men
mag aannemen dat zij al door bekering tot inkeer waren gekomen
worden zij hier toch vermaand om dit weer opnieuw te doen. Een veel
voorkomende mening is dat de bekering in ons leven een eenmalige
gebeurtenis is maar uit de scherpe waarschuwing die Jezus hier geeft
kunnen wij niet anders opmaken dan dat die bekering, waar nodig, bij
herhaling plaats moet vinden. Iedere keer als wij in het leven voor
een keuze komen te staan tussen goed en kwaad en wij in die situatie
een bewuste keuze maken voor het goede maken wij weer een bekering
mee doordat wij ons afkeren van het kwade. Bekering is daarom geen
eenmalige gebeurtenis maar een proces dat, zo blijkt uit de
waarschuwing van Jezus, verstoord kan worden. Pas als dit proces is
voltooid en wij in alles aan Jezus' maatstaven beantwoorden is de
bekering een definitief feit. En niet eerder. De praktijk heeft mij
ondertussen wel geleerd dat er tijdens dit bekeringsproces zoveel
fout kan lopen dat in de ernstigste gevallen "bekeerde" mensen weer
terug vallen in hun oude leven.
En niet voor niets luidt daarom de vermaning: "Gedenk dan, van welke
hoogte gij gevallen zijt." Dit geldt dus niet alleen voor deze
extreme gevallen maar ook voor hen die hun aandacht hebben laten
verslappen. Er is hier sprake van de eerste liefde die is verzaakt,
dus is verwaarloosd. En waar die eerste liefde voor Jezus Christus
verslapt is een mogelijk volgende stap dat deze liefde helemaal
verkilt. Het is in een huwelijk zo dat wanneer de eerste liefde is
weggeëbd de glans van het geheel al snel verbleekt en het dagelijkse
leven een sleur gaat worden waarin aan de hierboven al beschreven
"kleine" dingen in het leven geen of te weinig aandacht wordt
besteed met als gevolg dat de onvermijdelijke irritaties,
ergernissen, meningsverschillen en uiteindelijk ook de ruzies het
klimaat helemaal verzieken. Wat tenslotte maar al te vaak leidt tot
een echtscheiding. Althans een voor de buitenwereld zichtbare
echtscheiding die echter al een feit begon te worden vanaf de tijd
dat de eerste liefde begon weg te kwijnen. Omdat ons dit ook in onze
relatie met Jezus Christus kan overkomen is de vermaning in dat
geval: bekeert u!
God is liefde.
Waar de liefde verdwijnt ontstaat
altijd een scheiding, in wat voor vorm dan ook. Zonder
liefde valt alles uit elkaar. De liefde is daarom de enige
echte samenbindende factor in het hele universum die in staat is om
een eenheid te scheppen waarin alles en iedereen tot zijn recht komt
en waarin een ieders rechten worden gerespecteerd. Wij lezen in het
scheppingsverhaal in Genesis dat het allereerste wat Jahweh sprak
was: "Er zij licht!" Dat was de basis van waaruit de hele verdere
schepping tot stand kwam. Dit zichtbare licht is een beeld van het
geestelijke licht, de liefde, en het scheppingsverhaal laat ons zien
dat zonder dit licht geen leven tot stand kan komen. Dat is in de
natuurlijke wereld niet mogelijk maar net zomin in de geestelijke
wereld. Merk op dat er aan het begin van het scheppingsverhaal nog
geen sprake is van de zon, de maan en de andere hemellichamen. Die
kwamen pas op de vierde scheppingsdag aan de beurt. Dit feit op zich
doet mij vermoeden dat de zogenaamde scheppingsdagen niet persé
dezelfde lengte hebben gehad als de etmalen die wij kennen en die
worden veroorzaakt door het dag en nacht ritme als gevolg van de
draaiing van de aarde ten opzichte van de zon. Dat ritme was nog
niet aanwezig tijdens de eerste drie scheppingsdagen (of
scheppingsperioden). Maar dat terzijde, misschien wijd ik daar t.z.t.
nog eens een pagina aan op deze website.
Het zichtbare licht wat in Genesis de schepping mogelijk maakte is,
zoals al is gesteld, een beeld van het geestelijke licht, de liefde,
en dankzij de liefde is er leven mogelijk in de geestelijke wereld.
Dat de bron van die liefde God de Vader is laat de apostel Johannes
ons op een paar plaatsen zien waaronder 1 Johannes
4:16: "En wij hebben de liefde onderkend en geloofd, die God
jegens ons heeft. God is liefde, en wie in de
liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem." De apostel
Paulus belicht het op zijn beurt weer van een andere kant als hij
schrijft in 1
Timotheüs 6:16: "...die alleen
onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht
bewoont, die geen der mensen gezien heeft of zien kan. Hem zij eer
en eeuwige kracht! Amen." Het "God is liefde" van Johannes en het
"ontoegankelijk licht" waar Paulus op doelt beschrijven elk voor
zich dezelfde waarheid, namelijk dat het ontoegankelijke licht een
voorstelling van God's liefde is en die liefde is hét kenmerk van de
Vader. Van daaruit is alle leven ontstaan en als beeld daarvan laat
het scheppingsverhaal ons zien dat de schepping van het zichtbare
licht een absolute voorwaarde was voor het vervolg van de zichtbare
schepping.
De onoverbrugbare kloof.
De Vader, de bron van het ontoegankelijke
licht en van alle leven, heeft van dit leven (Zijn licht, Zijn
liefde) aan de Zoon gegeven waardoor die op Zijn beurt dit leven kan
doorgeven aan de mens. Zodat dit licht dankzij Jezus aan onze
duisternis een einde heeft gemaakt. Een paar uitspraken van Jezus
hierover zijn o.a:
- Johannes 5:26:
"Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de
Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf."
- Johannes 8:12:
"Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de
duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben."
- Johannes 12:35:
"Nog een korte tijd is het licht onder u.
Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet
overvalle; en wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij
heengaat."
- Johannes 12:46:
"Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die
in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve."
- Johannes 9:5:
"Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der
wereld."
Dit wordt nog eens bevestigd in
Johannes 1:4 en 5:
"In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en
het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet
gegrepen." Dus samengevat: Jezus Christus = het Woord Gods = het
leven = het licht der mensen en dit licht der mensen is de liefde
van God. Johannes besluit deze tekst met de woorden: "en het licht
schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen."
De duisternis (en allen die de duisternis liefhebben) heeft het
licht niet gekend en heeft het niet willen kennen. Er is een
onoverbrugbare kloof tussen het licht (de liefde) en de duisternis
(de liefdeloosheid). Een paar hoofdstukken verder legt de apostel
Johannes hier nog eens de nadruk op als hij schrijft in
Johannes 3:19,20:
"Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de
mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun
werken waren boos. Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat
het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken
niet aan de dag komen." Er is hier sprake van een oordeel en een
oordeel brengt een scheiding tot stand tussen goed en kwaad. Die
scheiding werd een feit toen satan zijn oorsprong ontrouw werd. We
lezen in Judas 1:6:
"en dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en
hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote
dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden."
Onder aanvoering van satan zelf kwam er een scheiding en daarmee een
onoverbrugbare kloof tot stand tussen het licht en de duisternis die
het licht niet heeft gegrepen.
Dat houdt in dat er sindsdien twee koninkrijken tegenover elkaar
staan die niets met elkaar gemeen hebben, die in alles elkaars
tegenpolen zijn en waartussen een scheiding bestaat die definitief
is. In het ene Koninkrijk heerst het licht, de liefde en in het
andere heerst de duisternis, de liefdeloosheid. En zoals de
duisternis de afwezigheid betekent van licht zo is de liefdeloosheid
het gevolg van de afwezigheid van liefde. Als alles in het leven
toch eens zo simpel te begrijpen was!
Het
witte
licht
met
vele
kleuren.
Hierboven is al de vergelijking getrokken
tussen het zichtbare licht wat ons hoofdzakelijk van de zon toekomt
en de liefde. Het zichtbare licht is in het leven van de mens een zo
alledaags verschijnsel dat we er nog nauwelijks bij stil staan wat
we aan dat licht te danken hebben. Desondanks is de mens er
ondertussen in geslaagd om met diverse hulpmiddelen te achterhalen
dat het zogenaamde witte licht bestaat uit vele kleuren die samen
dat witte licht vormen. De bekende prisma waarmee de afzonderlijke
(regenboog)kleuren zichtbaar gemaakt kunnen worden is hiervan één
voorbeeld. Alle voor onze ogen zichtbare kleuren zijn niet zichtbaar
doordat het voorwerp in kwestie die kleur bezit maar omdat het een
bepaalde kleur weerkaatst die al in het witte licht aanwezig is.
Deze kleur wordt pas zichtbaar zodra het er op vallende licht wordt
weerkaatst en vervolgens onze ogen bereikt. Dat houdt in dat ieder
voorwerp dat een bepaalde kleur weerkaatst slechts een klein deel
laat zien van alle kleuren, zowel de zuivere (regenboog)kleuren als
de gemengde kleuren, die allemaal hun oorsprong hebben in het witte
licht.

Precies zo is het met de liefde en als we
het hebben over de liefde hebben wij het uitsluitend over God's
liefde. Een andere liefde bestaat er niet. Ondanks dat "zij die van
deze wereld zijn" er hun eigen soort "liefde" op na houden en die in
de praktijk zo talloze keren meer gericht is op het eigen belang en
op de vervulling van de eigen begeerten dan dat de ander er mee
wordt gediend. Zie het voorgaande.
Zoals God de Vader in een ontoegankelijk
(wit) licht woont en tevens de bron is van dat witte licht (God's
liefde) zo worden ook de afzonderlijke kleuren van dat licht pas
zichtbaar als het wordt weerkaatst door mensen die ieder voor zich
God's liefde hebben ontvangen. Maar doordat wij mensen niet in staat
zijn om het volledige, allesomvattende, witte licht van God te
weerkaatsen geeft ieder voor zich er een deel van weer. Zodat al die
mensen samen weer het volledige witte licht weerkaatsen zoals dat
van de Vader is uitgegaan. Paulus heeft ons daar een uitspraak over
nagelaten in Efeze
3:10-12: "opdat thans
door middel van de gemeente aan de overheden en de machten
in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid
Gods bekend zou worden, naar het eeuwige voornemen, dat Hij in
Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd, in wie wij de
vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen hebben door het geloof
in Hem." Deze veelkleurige wijsheid komt voort uit de veelkleurige
liefde van God.
Paulus' uitspraak komt er op neer dat het de gemeente (het lichaam)
van Jezus Christus is die is samengesteld uit vele leden en die
ieder voor zich slechts een deel van de liefde van God kunnen
weerkaatsen maar die toch een eenheid vormen zodat door het
samengaan van al hun kleuren uiteindelijk weer het witte licht van
de Vader zichtbaar wordt. Wat daarnaast uit Paulus' woorden naar
voren komt is het feit dat door middel van de aldus ontstane
gemeente aan satan en zijn rijk uiteindelijk wordt getoond dat
ondanks al zijn inspanningen om de groei van die gemeente te
voorkomen hij zal moeten erkennen dat de veelkleurige wijsheid van
God de "wijsheid" van satan vele malen overtreft. En we leren
hieruit dat deze veelkleurige wijsheid voor de door wetteloosheid
verblinde overheden en machten in de hemelse gewesten een
verborgenheid was met als resultaat dat ondanks al hun inspanningen
om dit te voorkomen, deze voltooiing van de gemeente van Jezus
Christus hun nederlaag zal aantonen. Dit komt overeen met de al
aangehaalde woorden van de apostel Johannes in
Joh. 1:4 en 5:
"In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en
het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft
het niet gegrepen." De duisternis en zij die erin leven
hebben van God's licht en van God's veelkleurige wijsheid geen weet
en zij zullen uit zichzelf ook nooit en te nimmer in staat zijn om
dit te grijpen omdat de scheiding tussen licht en duisternis
definitief is. Alleen een radicale terugkeer vanuit die duisternis
naar de Schepper kan hierin verandering brengen. Dit vinden we in
Colossenzen 1:13:
"Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht
in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde." Het Koninkrijk van het
licht!
Op een andere plaats beschrijft Paulus deze
scheiding tussen licht en duisternis als volgt in
1 Cor. 2:7,8:
"maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid
Gods, die God reeds van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze
heerlijkheid. En geen van de beheersers dezer eeuw
heeft van haar geweten, want indien zij van haar geweten hadden,
zouden zij de Here der heerlijkheid niet gekruisigd hebben." Op
Golgotha bleek satan zich al verkeken te hebben op de uitkomst van
Jezus' lijden en sterven omdat naar zijn overtuiging de verliezer al
aan het kruis hing. Dat liep dus anders.
Tenslotte laat Paulus ook in
Efeze 4:17,18
zijn licht in deze duisternis schijnen als hij opmerkt: "Dit zeg ik
dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen
zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken,
verduisterd in hun verstand, vervreemd van het
leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst,
om de verharding van hun hart."
Voor de volledigheid wil ik hierbij nog
herhalen wat hiervoor al is benadrukt, namelijk dat het witte licht
dat van de Vader uitgaat ons via Jezus Christus heeft kunnen
bereiken. Wat Jezus zelf ons o.a. in Johannes 5:26
laat weten als Hij zegt: "Want gelijk de Vader leven heeft in
Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in
Zichzelf." Dit leven, dit licht, deze liefde, die van de Vader
uitgaat is terug te vinden in het evangelie wat Jezus aan Zijn
discipelen leerde. Waarvan de apostel Johannes uit ervaring kon
getuigen in Joh. 1:18 waar we lezen:
"Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de
boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen."
Dit geheimenis past Paulus toe op de gemeente van Jezus Christus als
hij schrijft in Efeze
3:17b-19: "Geworteld en gegrond
in de liefde, zult gij dan samen (dus niet een
ieder voor zich) met alle heiligen, in staat zijn
te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en
te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat
gij vervuld wordt tot alle volheid Gods." Samen met
alle andere heiligen van die gemeente zullen deze heiligen de liefde
kunnen leren kennen en uitstralen die de Vader ons via Jezus heeft
geschonken zodat de gemeente als geheel de liefde, het witte licht
dat van de Vader uitgaat, voor de wereld zichtbaar zal maken.
Wat blijft er over als de liefde
verdwijnt?
Niet veel. Of eigenlijk niets. Als het er
op aan komt om zowel het geestelijke als het natuurlijke leven in
stand en leefbaar te houden blijkt er zonder liefde niets over te
blijven wat leven nog verder mogelijk maakt. Het meest extreme
voorbeeld daarvan is wel de eindbestemming van alles wat de
duisternis liever heeft gehad dan het licht. In de laatste
hoofdstukken van Openbaring wordt deze eindbestemming een aantal
malen genoemd. Waaronder
Openbaring 20:10:
"en de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur
en zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn, en zij
zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheden." En even
verder in Openbaring
21:8: "Maar de lafhartigen, de
ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de
tovenaars, de afgodendienaars, en alle leugenaars; hun deel is in de
poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood." In
tegenstelling tot wat in de
alverzoening wordt verkondigd is er
nergens in de bijbel sprake van dat deze afschuwelijke
eindbestemming slechts een tijdelijke zaak is. Er wordt daarentegen
niet zonder reden gewezen op het feit dat eenmaal afgevallen
schepselen, zowel mensen als engelen, die van het Koninkrijk Gods
hebben geweten ooit weer opnieuw tot inkeer zullen komen. In
Hebr. 6:4-6
kunnen we hierover lezen: "Want het is onmogelijk, degenen, die eens
verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben en deel
gekregen hebben aan de Heilige Geest, en het goede woord Gods en de
krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben, en daarna afgevallen
zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen
betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting
maken."
Deze tweede en laatste dood is het
resultaat van de volkomen afwezigheid van God's liefde. En waar geen
liefde is daar heerst de duisternis. In het evangelie naar Matthéüs
wordt deze duisternis zelfs driemaal genoemd als de
buitenste duisternis. Zoals in
Matthéüs 25:30:
"En werpt de onnutte slaaf uit in de buitenste duisternis.
Daar zal het geween zijn en het tandengeknars." In deze duisternis
is niets aanwezig van wat er ooit door de Schepper in de schepping
is gelegd. Zodat in dit klimaat de tegenstelling tot wat de liefde
bewerkt, het zich richten op het welzijn van de ander, totaal
afwezig is. Het ligt voor de hand dat in plaats hiervan in die
buitenste duisternis alleen nog de haat bestaat. In de hel komt men
alleen nog vijanden tegen die elkaar voortdurend haten en
bestrijden, wat tot uitdrukking wordt gebracht door "het geween en
het tandengeknars." Het is ondenkbaar dat een redelijk denkend
wezen, mens of engel, in zo'n klimaat zijn bestemming zou willen
vinden.
Wat uiteindelijk wel in die buitenste duisternis wordt geworpen is
dan ook niets anders dan al datgene waarvan hierboven al is gemeld
in Johannes 3:20:
"Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat
niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag
komen." Omdat vanwege een dergelijke vijandigheid een verzoening
nooit zal kunnen plaats vinden is het uitgesloten dat de scheiding
tussen licht en duisternis, tussen de liefde en de liefdeloosheid,
ooit zal worden opgeheven.
Het is niet moeilijk voor te stellen dat
diegenen die door hun vijandige houding dit oordeel over zichzelf
hebben afgeroepen in de dagelijkse omgang niet bepaald de meest
aangename personen zijn. Uit ondervinding weet ik dat deze lieden
het klimaat en de vloek van de hel al om zich heen hebben hangen en
voortdurend presteren ze het om het leven van de naaste op de meest
uiteenlopende manieren te verzieken. In
Judas 1:10-13
wordt hun doen en laten als volgt samengevat: "Zij echter lasteren
al wat zij niet kennen en in hetgeen zij, gelijk de redeloze
wezens, van nature weten, ligt hun verderf. Wee hun, want
zij zijn de weg van Kaïn opgegaan, zij zijn voor de verleiding van
een Bileamsloon bezweken en door het verzet van een Korach ten onder
gegaan. Dezen zijn de schandvlekken bij uw liefdemalen, zij, die
zonder schroom tezamen feesten om zichzelf te weiden; wolken, die
geen water geven, daar zij door winden voorbij gejaagd worden;
bomen, die in de late herfst geen vrucht geven; tweemaal gestorven
zijn zij en ontworteld; wilde baren der zee, die hun eigen schande
opschuimen; dwaalsterren. Voor hen is de donkerste
duisternis voor eeuwig weggelegd." De personen die Judas
hier beschrijft bevinden zich tot overmaat van ramp in de gelederen
van de kinderen Gods die in de brief van Judas daarom ook worden
gewaarschuwd voor hun praktijken.
Men kan de hier beschreven mensen rekenen tot de meest hopeloze en
meest onbegrijpelijke van alle vijanden van het evangelie. Ik kan
het in ieder geval niet vatten dat mensen die kunnen beschikken over
een goed verstand en kennis hebben van het evangelie van Jezus
Christus desondanks weer terug keren naar de duisternis om
uiteindelijk terecht te moeten komen in de buitenste duisternis. Dat
doet me telkens weer denken aan een psalm of gezang wat ik ooit heb
gekend en waar de zin in voor komt: "Wat kiest gij verdwaasden voor
het leven de dood." In meer gangbaar Nederlands: "Waarom zouden
jullie dwazen in plaats van het leven voor de dood kiezen???"
Welke invloed heeft de liefde
(nu nog) op onze
samenleving?
In het voorgaande is al naar voren gekomen
dat God's liefde de bron is van ons bestaan, dat zonder die liefde
ook geen leven mogelijk is en alleen nog de (buitenste) duisternis
overblijft. Daar vloeit uit voort dat de liefde de grootste kracht
is die er bestaat waar al het andere in het leven van afhangt. Van
die kracht is Golgotha het bewijs. Jezus ging vrijwillig de weg van
het lijden en doorstond die beproeving omdat Hij de liefde in Zich
had die van de Vader komt en die liefde bleek voor satan een
onneembare vesting te zijn. Dat wordt door Paulus nog eens benadrukt
als hij stelt in
Romeinen 5:8: "God echter
bewijst zijn liefde
jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons
gestorven is." En ook in
1 Johannes 4:9
vinden we dit terug: "Hierin is de liefde Gods jegens ons
geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft
in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem."
De liefde in ons leven bewijst juist daar
liefde te zijn als de omstandigheden het meest tegen zitten en een
goede afloop het meest onwaarschijnlijk is. Daar vinden de echte
heldendaden plaats. Deze wereld is daarentegen vol van allerhande
nephelden die op het witte doek hun duizenden verslaan. Als de massa
weer eens in de greep is van de zoveelste creatie van de scheppers
achter dat witte doek zijn daar steevast de talloze producenten van
"ik weet niet wat voor rotzooi" die inspelen op de nieuwe rage en
die zich uitsloven om deze gekte in zoveel mogelijk geldelijke winst
om te zetten. Echte helden zijn er echter niet op uit om hun
persoontje zo indrukwekkend mogelijk aan het grote publiek te
presenteren. Echte helden kunnen hun grote daden in het verborgene
doen, ook daar waar alleen God zelf de getuige is. Dat werd door
Jezus benadrukt in
Matthéüs 6:3,4: "Maar laat, als
gij aalmoezen geeft, uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet,
opdat uw aalmoes in het verborgene zij, en uw Vader, die in
het verborgene ziet, zal het u vergelden." Dit leert ons
dat de liefde er niet in geïnteresseerd is om in de schijnwerpers te
staan terwijl ze tegelijkertijd in staat is tot daden waar veel moed
voor nodig is. Satan en zijn aanhangers daarentegen zijn niet van
plan om een offer te brengen in welke vorm dan ook. Daar waar geen
liefde is, regeert slechts het eigen belang en zodra dat in gevaar
komt slaat men op de vlucht of gaat men in blinde haat tot de aanval
over om het eigen belang te verdedigen.
Er zou aan datgene waar de liefde toe in
staat is nog heel wat toegevoegd kunnen worden maar omdat Paulus
zich al heeft uitgesloofd om dit allemaal kernachtig onder woorden
te brengen doe ik er niet verkeerd aan om hier zijn opsomming uit
het al aangehaalde 1
Cor. 13 te herhalen. Al deze
eigenschappen kunnen toegeschreven worden aan die mensen die de
liefde van God werkelijk in hun leven hebben toegelaten. Dus is
alles van wat hieronder wordt genoemd terug te vinden in hun gedrag,
in hun handel en wandel:
- De liefde is lankmoedig.
- de liefde is goedertieren.
- zij is niet afgunstig.
- de liefde praalt niet.
- zij is niet opgeblazen.
- zij kwetst niemands gevoel.
- zij zoekt zichzelf niet.
- zij wordt niet verbitterd.
- zij rekent het kwade niet toe.
- Zij is niet blijde over ongerechtigheid,
maar zij is blijde met de waarheid.
- Alles bedekt zij.
- alles gelooft zij.
- alles hoopt zij.
- alles verdraagt zij.
Als Paulus zijn opsomming afsluit doet hij
dat met de woorden: "Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze
drie, maar de meeste van deze is de liefde." En
waarom? Omdat, zoals we al uit het scheppingsverhaal hebben geleerd
het licht (de liefde) het begin vormde en dat zonder dát begin een
verdere schepping niet mogelijk was. Deze voorwaarde heeft tot in
lengte van dagen zijn verstrekkende invloed op alles wat het leven
op aarde mogelijk maakt. Zonder de liefde is er slechts
liefdeloosheid = haat = wetteloosheid = vijandigheid tegenover ieder
ander schepsel = chaos = duisternis.
Nou rijst de vraag waarom de mens in zijn algemeenheid nog steeds
laat blijken rekening te houden met de medemens, dat er nog steeds
mensen zijn die zich vrijwillig inzetten voor de hulp aan de minder
bedeelden en dat op nog zoveel andere manieren barmhartigheid
bewezen wordt aan de medemens. Terwijl tegelijkertijd zovelen van
hen aan God geen boodschap hebben. De enige juiste verklaring
hiervoor is dat in al deze mensen in meerdere of in mindere mate nog
restanten zijn te vinden van datgene wat de Schepper ooit in de mens
heeft gelegd: de liefde. Zodat men zich nog steeds houdt aan
bepaalde normen en waarden die ook rekening houden met het leven en
de belangen van de medemens. Zonder die normen en waarden zou dat
alles definitief in elkaar storten en de totale chaos het resultaat
zijn.
De politieke samenzwering.
Wat wij in Nederland met een toenemende
snelheid hebben zien gebeuren in de acht jaren dat de paarse
jakhalzen in Den Haag hun verderfelijke invloed hebben gehad op de
Nederlandse samenleving, is het systematisch om zeep helpen van
alles wat nog aan God en Zijn gebod doet terugdenken. Met als gevolg
dat men tenslotte tot de onthutsende "ontdekking" moest komen dat de
geest van wetteloosheid uit de fles was gehaald, die geest
vervolgens zijn eigen normen aan de samenleving opdrong en het "ik"
tijdperk meer dan ooit zichtbaar begon te worden. Een "normen en
waarden" debat in de tweede kamer als reactie daarop is in dat licht
bezien dan ook niets meer dan een huichelachtige
schijnvertoning want we kunnen er zeker van zijn dat de
duistere krachten die achter de schermen hun invloed uitoefenen en
die deze wetteloze geest hebben opgeroepen achter die schermen
gewoon door gaan met hun satanische plannen. Onafhankelijk
van welke verkiezingsuitslag er vóór de schermen ook uit de
(stem)bus mag zijn gerold. Ditzelfde principe is uiteraard ook op
vele andere regeringen in deze wereld van toepassing. Alleen al het
feit dat veel regels en wetten ons nu al door "Europa" worden
opgedrongen laat zien dat de diverse schaduw "regeringen" in
Nederland in de loop der jaren welbewust ons lot in de handen hebben
gelegd van een stel occulte Eurogriezels die in véél meer zijn
geïnteresseerd dan alleen maar economische vooruitgang. En of de
Nederlandse premier nu een linkse of een rechtse partij als
achtergrond heeft is daarbij van geen enkel belang. Zelfs als deze
partij de C van "christelijk" nog met zich meesleept, als een
restant vanuit voorbije dagen, loopt deze premier braaf in deze
samenzwering met zijn Europese broeders mee. Ook al zullen er voor
het oog van de camera en het kijkend publiek nog wel eens
"christelijk" getinte bezwaren worden geuit tegen sommige
ontwikkelingen, de praktijk heeft ons in de afgelopen tientallen
jaren desondanks laten zien dat deze Euro-TGV op volle snelheid door
raast richting een totalitaire machtsstaat waarin de afzonderlijke
landen steeds meer van hun bevoegdheden zullen moeten inleveren
zodat de Europese burgers uiteindelijk zullen moeten vaststellen dat
ze er domweg in geluisd zijn met al die humaan klinkende beloften
van een economische heilsstaat. Na dit politieke uitstapje rest ons
de vraag:
Waar loopt dit allemaal op uit?
Het resultaat zal tenslotte zijn dat het
bederf in de samenleving en in de wereld als geheel zulke afmetingen
zal aannemen dat uiteindelijk iedere norm en waarde die nog wordt
gerespecteerd zijn bestemming op de vuilstortplaats zal vinden. Zou
de liefde met al zijn eigenschappen niet meer te vinden zijn op onze
aardbol dan is het onverbiddelijke gevolg:
- Er worden geen afspraken meer nagekomen.
- In de waarheid is men niet meer
geïnteresseerd.
- Geen enkele wet wordt meer nageleefd.
- Het gezag van de overheid en het ontzag
voor de overheid zijn niet meer aanwezig.
- Niets van wat een leefbare samenleving
mogelijk maakt functioneert meer.
- Mensen zijn alleen nog geïnteresseerd in
het eigen belang.
- De misdaadgolf met al zijn wreedheden is
niet meer af te remmen.
- De totale chaos is het resultaat.
Deze opsomming is door Jezus samengevat in
Zijn al genoemde woorden in
Matthéüs 24:12
waar Hij zegt: "En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de
liefde van de meesten verkillen." En waar de liefde zal
verkillen zullen ook de nog overgebleven restanten van die liefde
verdwijnen die de "beschaving" tot dan toe nog overeind hielden.
Zodat de duisternis de overhand krijgt. Daarover gaf Jezus aan Zijn
discipelen al een aanwijzing in Johannes 9:4:
"Wij moeten werken de werken desgenen, die Mij gezonden heeft,
zolang het dag is; er komt een nacht, waarin niemand werken
kan." In deze duistere periode zal de gedemoniseerde
mensheid niet meer openstaan voor het evangelie om welke reden Jezus
ons aanspoort om dit evangelie bekend te blijven maken zolang men
daar nog wel voor openstaat.
Over deze duistere periode heeft ook Paulus
zijn gedachten laten gaan als hij aan Timotheüs schrijft in
2
Tim. 3:1-5:
"Weet wel, dat er in de laatste dagen
zware tijden zullen komen: want de mensen zullen zelfzuchtig zijn,
geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers, aan hun ouders
ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos,
lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede,
verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan
voor God, die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan
verloochend hebben; houd ook dezen op een afstand."
Ziedaar de gevolgen van het verdwijnen van de liefde in iedere nu
nog aanwezige vorm en die de huidige "beschaving" tot op heden nog
in stand heeft kunnen houden. Zonder de liefde is er slechts:
liefdeloosheid = haat = wetteloosheid = vijandigheid tegenover ieder
ander schepsel = chaos = duisternis. Mede als
gevolg van de hierboven beschreven praktijken (zoals de Harry Potter
rage) waarmee de media magnaten en de tovenaars achter het witte
doek hun publiek hersenspoelen, zullen de legers van satan hun greep
op de mensheid kunnen verstevigen. Het is daarom noodzakelijk dat we
de oproep van Paulus in Efeze 6:12 ter
harte nemen waar hij zegt: "want wij hebben niet te worstelen tegen
bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen
de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze
geesten in de hemelse gewesten."
Het is zo makkelijk en ook wel begrijpelijk dat we middenin allerlei
situaties in onze verbolgenheid over het geleden onrecht, de mensen
door wie dit gebeurt aanwijzen als de daders terwijl zij slechts
poppen zijn in de handen van de poppenspelers. Het is beslist niet
zo dat deze mensen vrijuit gaan, zij hebben zich schuldig gemaakt en
hebben zich laten gebruiken door de wereldbeheersers dezer
duisternis en zullen daar ook verantwoording voor af moeten leggen
op de oordeelsdag. De buitenste duisternis zal tenslotte toch de
bestemming zijn van hen die hier geen berouw om hebben gekend. Onze
strijd hier en nu is echter in de eerste plaats gericht tegen die
(geestelijke) wereldbeheersers.
Voor wie trouw blijft aan het evangelie van
Jezus Christus geldt echter wat Paulus schrijft in
1
Thessalonicenzen 5:5:
"want gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags. Wij
behoren niet aan nacht of duisternis toe."
En even verder in vers 8: "maar laten wij, die de dag
toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van
geloof en liefde en met de helm van de hoop der
zaligheid." Er zal een steeds groter wordende scheiding zichtbaar
worden tussen de wettelozen en hen die de dag toebehoren. In een van
de laatste verzen van de bijbel, in
Openbaring 22:11,
wordt dit aan Johannes meegedeeld met de woorden: "Wie onrecht doet,
hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie
rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; en wie
heilig is, hij worde nog meer geheiligd."
Wie zal ons scheiden van de liefde van
Christus?
Dat er zware tijden zullen komen is in het
bovenstaande wel naar voren gekomen. Het ligt voor de hand dat een
kind van God dat dit beseft nog wel eens wil wanhopen aan de goede
afloop. De onvermijdelijke aanvechtingen en aanvallen blijven ons
door toedoen van de overste van deze wereld niet bespaard. De
apostel Paulus wist hier alles van en daarvan geeft hij een
opsomming in 2 Cor.
11:23-28: "Dienaren van Christus
zijn zij? (ik spreek tegen mijn verstand in) ik nog meer: in
moeiten veel vaker, in gevangenschap veel
vaker, in slagen maar al te zeer, in
doodsgevaren menigmaal. Van de Joden heb ik vijfmaal(!) de
veertig-min-een-slagen ontvangen, driemaal ben ik
met de roede gegeseld, eens ben ik
gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk
geleden, een etmaal heb ik doorgebracht in volle zee; telkens op
reis, in gevaar door rivieren, in gevaar
door rovers, in gevaar door volksgenoten, in
gevaar door heidenen, in gevaar in
de stad, in gevaar in de woestijn, in
gevaar op zee, in gevaar onder valse
broeders; in moeite en inspanning,
tal van nachten zonder slaap, in honger
en dorst, tal van dagen zonder eten,
in koude en naaktheid; en dan,
afgezien van de dingen, die er verder nog zijn, mijn dagelijkse
beslommering, de zorg voor al de gemeenten."
Dat is nogal wat. En toch kon hij in
Romeinen 8:35-39
zeggen: "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?
Verdrukking of benauwdheid of vervolging of honger, of naaktheid, of
gevaar, of het zwaard? Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden
wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen. Maar
in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die
ons heeft liefgehad. Want ik ben verzekerd, dat noch
dood noch leven, noch
engelen noch machten, noch heden
noch toekomst, noch krachten, noch
hoogte noch diepte, noch
enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde
Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here."
De stormen kunnen in ons leven hoog oplaaien als gevolg van de
ziedende machten der duisternis en waarvan Paulus schreef in het
zojuist aangehaalde
Efeze 6:12. Maar ondanks dat
alles kon hij getuigen dat niets van dit alles hem van Christus'
liefde had kunnen scheiden. Wat ook niet zo verwonderlijk is
aangezien Jezus terecht van Zichzelf kon getuigen in
Matth. 28:18:
"Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de
aarde." En in die hoedanigheid heeft Hij dus telkens weer het
laatste woord.
De huidige omstandigheden en het
vooruitzicht op wat er nog over de wereld komen gaat mag daarom voor
ons geen reden zijn om in angst en beven af te zitten wachten op de
dingen die komen gaan. Dat was Paulus ook niet van plan ondanks al
zijn beproevingen en dat beleed hij in
Romeinen 8:15:
"Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te
vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door
welke wij roepen: Abba, Vader." Waar Paulus dus op zijn manier van
getuigde bracht Johannes, de apostel der liefde, op de hem
welbekende wijze onder woorden in
1 Johannes 4:18:
"Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de
vrees uit; want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is
niet volmaakt in de liefde." Het klimaat van de liefde in het leven
van een oprecht kind van God is niet de angst maar de rust van het
Koninkrijk Gods.
Wie Zijn woord bewaart.
Willen wij bewaard blijven voor de golf van
wetteloosheid dan is de voorwaarde die Jezus hieraan verbond wat Hij
ons naliet in
Johannes 15:10:
"Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn
liefde blijven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en
blijf in zijn liefde." Zolang wij ons houden aan wat de bijbel ons
leert over het evangelie van Jezus blijft Zijn liefde in ons en
hebben wij de zekerheid die Jezus gaf in Johannes
5:24: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en
Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en
komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de
dood in het leven."
Johannes gaf dit op zijn beurt aan ons door in
1 Johannes
2:5:
"maar wie zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods
volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn." Het is dus
zaak om ons in de allereerste plaats te richten op wat de bijbel ons
leert en ons niet te laten misleiden door diverse "New wave"
profeten waaronder ene Rick Joyner die zich loopt uit te sloven om
de bijbel als een achterhaalde openbaring te bestempelen die
ondertussen plaats heeft moeten maken voor allerlei nieuwe
"openbaringen" die ons, het laat zich raden, vrijwel uitsluitend via
de genoemde profeten bereiken. Dit soort doe-het-zelf profeten zijn
een verschijnsel in deze eindtijd dat slechts een onderdeel is van
de wereldwijde misleiding en verleiding waar de wereldbeheersers
dezer duisternis hun klauwen achter hebben zitten. Laten we ons
daarom maar houden aan het Woord Gods dat geen vervanging behoeft,
getuige Hebreeën 4:12: "Want het woord Gods
is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en
het dringt door, zo diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest,
gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des
harten." Daar kan geen enkele "nieuwe" openbaring tegenop.
De vruchten van de Geest.
Het gevolg van onze gehoorzaamheid aan het
Woord en van onze gehoorzaamheid aan de Heilige Geest zijn de
vruchten van de Geest. Galaten
5:22-24
zegt hierover: "Maar de vrucht van de Geest is liefde,
blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw,
zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Tegen zodanige mensen is de wet
niet. Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn
hartstochten en begeerten gekruisigd."
Ik heb in de loop der jaren vast moeten
stellen dat deze vruchten van de Geest in de praktijk meer dan eens
veel minder aandacht kregen dan de gaven van de Geest terwijl het
juist die vruchten zijn die werkelijk laten zien dat Christus in ons
gestalte heeft gekregen. In tegenstelling tot de vruchten van de
Geest kunnen de gaven van de Geest voor het oog van de buitenwereld
dan veel spectaculairder zijn, zoals de gave van genezing, wat maar
al te vaak tot gevolg heeft gehad dat men in evangelische kringen
heel graag met die gave in beeld wil komen, want dan bén je
tenminste iets(!?).
Een gave is echter iets dat je ontvangt van de gever. Daar heb je
niets voor hoeven doen. Maar het zijn de vruchten van de Geest die
in ons leven een groeiproces en een rijpingsproces doormaken en dat
vraagt van ons heel wat meer inzet. Als door de aanwezigheid van
God's liefde in ons leven de vruchten van de Geest tot ontwikkeling
komen is juist daar aan te zien wat onze verborgen omgang met Jezus
Christus werkelijk heeft opgeleverd.
Ik ben in 1975 onder het gehoor geweest van een neger prediker die
aan dat onderwerp een hele preek wijdde en ik moet zeggen dat dát de
preek van mijn leven is geweest. Ik heb sindsdien nooit meer iemand
horen preken die zijn niveau en de Geestkracht waarmee hij sprak kon
evenaren. Het was een man die de wereld over reisde en meemaakte dat
de zieken in zijn schaduw genazen, hoewel hij daar zelf niet over
sprak, dat vernamen we pas achteraf van zijn tolk. De bewuste preek
ging over de verborgen omgang met de Heilige Geest en de daaraan
ondergeschikte rol van de tongentaal. Waarbij de
moraal van het verhaal was: indien wij geen aandacht schenken aan de
aanwijzingen en de stem van de Heilige Geest in diverse situaties,
trekt deze zich bedroefd terug. Als de zo noodzakelijke groei van de
vruchten van de Geest daardoor in ons leven tot stilstand komt
hebben de gaven van de Geest ook geen enkel nut meer. Dan kunnen we
achteraf in tongen bidden tot we er bij neervallen maar het baat ons
niets. Pas als wij weer bereid zijn om ons falen toe te geven en de
relatie met de Heilige Geest te herstellen kunnen we weer verder
groeien. Het is dus: eerst de vruchten, die het belangrijkst zijn,
en daarna de gaven en niet andersom. Is dat wel het
geval dan lopen we uiteindelijk muurvast door arrogantie en
verbeelding.
Samenvatting en conclusie:
Het is niet ondenkbaar dat de lezer bij het
zien van de titel van deze pagina op deze pagina aanvankelijk iets
heel anders dacht te gaan te lezen. Dat was te verwachten, en dat is
dan ook de reden dat ik in de inleiding een uitspraak van de apostel
Petrus heb aangehaald uit 1 Petrus
4:3-5
waar hij schrijft: "Want er is tijd genoeg voorbijgegaan met het
volbrengen van de wil der heidenen, toen gij wandeldet in allerlei
losbandigheid, begeerten, dronkenschap, brassen, drinken en
onzedelijke afgoderij. Daarom bevreemdt het hen, dat gij u niet met
hen stort in diezelfde poel van liederlijkheid, en
zij belasteren u; maar zij zullen daarvan rekenschap moeten geven
aan Hem, die gereed staat om levenden en doden te oordelen." Omdat
ik geen boodschap heb aan die poel van liederlijkheid, heb ik zoveel
mogelijk de bijbel aan het woord willen laten. Want wat in deze
wereld moet doorgaan voor liefde heeft met liefde weinig tot niets
te maken, het is hoogstens valse romantiek die maar al te snel weer
wegslijt in de dagelijkse sleur.
Wat ik daarom met het
bovenstaande heb willen aantonen is dat alleen zij die een
persoonlijke omgang kennen met Jezus Christus de echte liefde in hun
leven ontvangen en doorgeven. Daarvan getuigt ook de op deze pagina
al veel geciteerde Paulus in Efeze
4:17-20:
"Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt
wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun
denken, verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om
de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart.
Zij hebben zich immers in hun verdoving overgegeven aan de
losbandigheid om gretig winst te slaan uit allerlei onreinheid. Maar
gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen."
En wie Christus heeft leren kennen heeft het echte licht gezien. En
wie dat licht heeft gezien zal meer dan ooit beseffen wat Paulus
bedoelde te zeggen met de woorden: ...maar ik had de liefde niet,
ik ware niets!
| Spreuk:
|
informatie uit:http://www.wat-is-waarheid.info/liefde.htm
Terug |